Verdonschot, S.G.M., & Kessels, J.W.M. (2011). Ontwerpgericht onderzoek als innovatiestrategie. In J. Van Aken & D. Andriessen (Red.), Handboek ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek: Wetenschap met effect. (pp. 377-398). Den Haag: Boom Lemma.
Reflectie
Onderzoek kan leiden tot een duurzaam vermogen tot innovatie. Kennis gaat stromen als er een vragende partij is. Onderzoek is dus te beschouwen als een innovatie. M.b.t. mijn eigen innovatieambitie zou dus een enquête (vragenlijst) over toetsbeleid en de inzet van toetsen onder collega's, al kunnen leiden tot verandering. Het onderzoek leidt dan meteen tot effect in de organisatie. Het effect dat ik wil bereiken met het onderzoek moet ik dus vooraf goed overdenken en bespreken met bijvoorbeeld management en een (nog te vormen) focusgroep.
1. het vinden van generieke kennis
2. het bereiken van doorbraken in het werk
3. persoonlijke leerstrategie
Ik ben op dit moment geneigd om dit moment te kiezen voor 2, dus het bereiken van doorbraken in het werk op mijn school. Dit is onderzoek dat gericht is op de 'actie-kant' waarbij de werkpraktijk verbetert gaat worden. Echter het feit dat dit type onderzoek niet hoeft te leiden tot overstijging vind ik een minpunt. Daar wil ik wel graag oog voor houden.
Maar mocht het onderzoek richting mijn werk voor de AOC-raad gaan (brancheorganisatie van het groene onderwijs), dan zou strategie 1, het opsporen van generieke kennis wellicht wenselijker zijn. Hierbij zou dan mijn persoonlijke rol 'aanjager'voor innovatie kunnen zijn. Hierbij zou de kloof tussen wetenschap en praktijk mogelijk wat gedicht kunnen worden.
Uit het artikel blijkt dat bij onderzoek de intrinsieke motivatie en een grote mate van autonomie van belang is. Hierbij komt wat mij betreft "Gespreid Leiderschap" om de hoek kijken. Op locatie ga ik samenwerken met een collega en bij haar hoop ik eenzelfde drive te vinden zodat er ruimte is voor creativiteit en nieuwsgierigheid. Bij dit onderzoek zal zeker nog meer input nodig zijn. Daarom wil ik beginnen met een kleine vooronderzoeken om te bepalen hoe mijn collega's, de leerlingen en de ouders over Toetsen en Toetsbeleid denken. Waaraan ontlenen de toetsen hun bestaansrecht? Omdat het zo hoort? Omdat het moet? Of omdat het een intregraal onderdeel is van het leerproces en omdat het een recht is van de leerling? Vanuit de vooronderzoeken wil ik op zoek gaan naar samenwerking tussen de partijen. Daarbij is het erg belangrijk dat alle betrokkenen in vrijheid hun mening kunnen geven, zodat er na afloop de resultaten niet ingezet kunnen worden als "inquisitiemiddel".
Voor mij zou vanuit de vooronderzoeken het Toetsbeleid opnieuw opgebouwd kunnen worden, samen met alle collega's, met inbreng van leerlingen, ouders en management.
Misschien blijkt dat de groep om mee te werken straks te groot blijkt te zijn voor afronding van dit onderzoek binnen gerede tijd. Dan zou ik kunnen overdenken om te beginnen met een selecte groep, bijvoorbeeld de vakgroep waar ik deel van uit maak, om van daaruit andere vakgroepen te stimuleren tot innovatie. Zoiets als "als er één schaap over de dam is, dan volgen er meer".
Tenslotte zou een publicatie in het vakblad voor Groen Onderwijs of de Boerderij een mooie kroon op het werk zijn.
Kenmerken van onderzoeksinterventies die effectief zijn bij het werken zijn bij het werken aan innovaties in de werkpraktijk:
-doet een appèl op persoonlijke gedrevenheid
-draagt bij aan samenwerken
-gebeurt vanuit verwondering en waardering
-maakt samen maken & ondernemen mogelijk
-maakt gebruik van de handelingsruimte (professionele ruimte?)
Tot slot nog enkele bijzonderheden (pp 22)
"De kwaliteit van de sociale verbindingen tussen de leden van innovatieve ontwerpteams, en teams tussen organisatie (=social capital) doen er toe.
Als het een ontwerpgericht onderzoek wordt, kunnen er dan vooraf specificatie-eisen vastgelegd worden? Moet er niet meer aandacht zijn voor waardeoriëntatie? Ik denk persoonlijk van wel.
-bridging en linking relaties (de Jong, 2010)
-kiem voor veranderin (Tjepkema & Verheijen)
-bewust toepassen van methoden die reflectie bevorderen (Verdonschot, 2006)